En toen werd het even stil…
Een tastbare stilte, een pijnlijke stilte…

Joshua Timisela vroeg het nogmaals:
‘Zitten hier ook mensen van de eerste generatie in de zaal?’

Die stilte was alleszeggend, een confronterende bewustwording vulde de ruimte in het Schaffelaar Theater in Barneveld.
De aanwezigen keken om zich heen, wachtend op een antwoord.
Maar die kwam er niet.

Bij ons

Ik wilde zeggen: ‘Ja, kom maar bij ons, bij ons zijn er nog genoeg!’
Nóg wel…
Maar ik zie het ook verder uitdunnen. Het verloop wordt steeds groter in onze huizen. De tweede generatie, of ‘generatie twee en een half’, neemt al zijn intrek.
En de mensen die nog écht kunnen vertellen over Nederlands-Indië, die worden steeds schaarser.

Ik stond gisteren nog aan het graf van mijn opa en oma. Oma was jarig en dat verdiende een paarse orchidee om de boel een beetje op te fleuren.
Zij ligt daar dit jaar al 18 jaar.
En zij, noch mijn opa hebben hun Indisch verhaal overgedragen.
Misschien dat ik er daarom zo naarstig naar op zoek ben.

De Timisela brothers hadden het dus over generatie één.

Onze fundering

De grondleggers van ons huidige bestaan, van míjn huidige bestaan.
De generatie die, door de oorlog vermoeid en slechts in het bezit van een scheepskoffer, een enkeltje toekomst in Nederland zijn begonnen (zoals Henry dat mooi zei).
Die generatie,  zowel de Indische als de Molukse, heeft moeten accepteren dat het leven waar zij zoveel van hield, het leven van vóór de oorlog, afgelopen was.
Dat die tijd nooit meer terug zou keren.
Bij de één ging dat wat moeizamer dan bij de ander…
Desalniettemin was het een zware pil voor onze eerste generatie.

Bij aankomst in Nederland illusies armer geworden,  maar wat mij blijft verbazen wanneer ik in gesprek ben met bewoners, is dat ook al was alles afgenomen, hun status, hun land, hun waardigheid, dat zij toch nog de kracht vonden om te blijven staan.
Veerkracht die nu nog steeds te lezen is in hun blauwomrande ogen.

Zij, die de fundering hebben gelegd op de grond waar wij nu op staan.
Zij, die weigerden te breken en voor wie buigen een noodzaak werd om te overleven.
Zodat wij konden leven.

Deze ontzettend mooie generatie, de overlevers, de veerkrachtigen, de bescheidenen, de ‘niet-klagers- maar-dragers’, de doorzetters…
Ik zie ze elke dag een beetje meer verdwijnen.

De verhalen

Het leed, de anekdotes, het verhaal van ontberingen, schaamte en verdriet  – de verhalen die niet verteld worden verhalen die zij hun kinderen hebben willen besparen – worden op het eind van hun levenscyclus regelmatig verteld.
Aan diegene die wil luisteren, de buitenstaanders, aan ons, aan mij.
En de impact van het verhaal, van hun verhaal is groot.
Vaak te zwaar om er een voorstelling van te kunnen maken.
Ik, als derde generatie, heb nooit een oorlog meegemaakt, maar ergens kan ik me inleven.
Ik zag het aan de gebogen houding van mijn opa en aan de vriendelijke ogen van mijn oma, waarachter de dingen niet gezegd werden, lagen.

Ik zie dat terug bij onze bewoners en voel een bepaald soort ontroering en respect als ik met hen ben.
De één ziet een bejaard persoon die een zorgbehoefte heeft, de klager, de grapjas, de stille, de vriendelijke of de boze bewoner.
Ik zie de onbegrepen jongere.
Degene waarbij onrecht een groot deel van hun leven beheerste.
De jongere vol toekomstdromen mijmerend onder een klapperboom.

Hoe groter de blauwe rand om hun ogen wordt, hoe meer ik terug zie van het kind dat ooit zorgeloos speelde in de kali.
Voor alles begon.
Voor alles eindigde.

Dankzij jullie – lieve sterke en mooie generatie – zijn wij, wie wij vandaag zijn.

Dit stuk is voor mijn grootouders, onze grootouders en onze ouders.
Degene die de kern van Nusantara zijn.
Het hart van de stichting, het hart waar wij met veel liefde voor zorgen.

Terima kasih banyak.

Opdat jullie verhaal voort mag leven…

  • Met dank aan Ulrike de Wreede