Dhr Ferry Prud’homme de Lodder 13-04-1929 Surabaya

Ik word verwelkomd in zijn woning op de zesde etage waar de vertrouwde melodieën van “Waarom huil je toch, nona manis” uit de speakers galmen.
Oom Ferry (zoals ik hem mag noemen) is de laatste tijd erg bezig met zijn Indisch verleden.
Hij spreekt er veel over, ook al doet dat soms pijn.
Hij heeft besloten de confrontatie op te zoeken, hij vertelt:

Ik hou van alleen zijn, wanneer ik mij verdrietig voel dan luister ik vaak naar muziek, dat brengt me weer terug naar vroeger.
Laten we bij het begin beginnen…
Ik zie het als drie fases, mijn jeugd voor de oorlog, de oorlog, en mijn volwassen leven.
Mijn jeugd Ik heb geen jeugd gehad, ik ben nooit kind geweest.
Ik groeide op met twee broers, waarvan ik de oudste ben.
Mijn moeder trouwde al heel vroeg, ze was een jaar of zeventien. Op haar negentiende had ze al drie kinderen.
Ze kreeg ons heel snel achter elkaar.
Toen ze in verwachting was van mijn jongste broer, is ze weggegaan bij onze vader onder invloed van haar ouders.
We zijn toen van Surabaya naar Batavia gegaan naar mijn grootouders.
Mijn moeder ging studeren voor vroedvrouw en de zorg voor ons kwam grotendeels neer op haar zusje die op dat moment zelf nog een kind was.
Mijn opa was lid van het Indisch Europees verbond en daarom moesten wij verhuizen naar Sumatra.
Daar heeft mijn moeder mijn stiefvader ontmoet, ik was toen een jaar of 4 misschien 5.
Mijn stiefvader was klein landbouwer en wij werden zo jong als we waren, geacht om mee te werken op het land.
Omdat ik de oudste was van ons drie kwam alles op mijn schouders terecht.
Ik voelde mij ontzettend verantwoordelijk voor mijn broertjes.
We werden vreselijk afgeranseld door mijn stiefvader.
We werden tot kind-slaven gemaakt, onze dag begon om 06:00, wij moesten 600 kippen voeren voordat we naar school gingen.
Als wij om 13:00 uit school kwamen, werden wij geacht de eieren te rapen die de kippen die dag gelegd hadden om deze kilometers verderop weer te verkopen. Dat alles op onze kleutervoetjes.
Bij thuiskomst was onze taak om het voer te maken voor de varkens, wat lichamelijk ontzettend zwaar was. Na het maken van het voer gingen we richting de kali om daar onze tien honden te wassen.
Spelen was er nooit bij voor ons. Heel soms als we een kwartiertje over hadden legden we een grapefruit in de kolen en gingen wij daarmee voetballen.
Naast het zware werk wat elke dag doorging, kregen wij ook zware lijfstraffen.
Als je in de nacht naar het toilet moest kon je niet naar buiten omdat het te donker was.
Wij hadden een po in de kamer staan waar we onze behoefte op deden.
Wij moesten dat ding elke dag schoonmaken met as, en als het niet schoon genoeg was moesten we een half uur met onze hoofd boven die po hangen.

Mijn moeder was al net zo streng als mijn stiefvader.
Wanneer ze erachter kwamen dat wij stiekem assem hadden gepikt kregen we een blok zout in onze
mond, net zolang totdat je hele mond kapot was.
Soms was het zelfs zo erg, dat ik mijn eigen broertje moest slaan van ze.
Mijn broertjes waren mijn alles, daarom was dit ook zo onmenselijk. Ik probeerde dan zo zacht
mogelijk te slaan maar dan kwam stiefvader tussenbeide en hij deed wel even voor hoe het wel
moest.
Vreselijk als ik daar nu nog aan terug denk.
De striemen werden later in de avond met jodium behandeld.
Mijn moeder had eigenlijk nooit kinderen moeten krijgen.
Ze wist niet wat liefde was, we zijn echt opgevoed zonder liefde.
Daarom zijn mijn broers en ik zo close.
Ik mis ze nog iedere dag, we vertrouwden alleen elkaar in onze jeugd.
Op een dag waren we bij mijn oma, de enige die ons een liefkozing waard vond, en terwijl wij bezig
waren met spelen in onze hansopjes, zag ze de striemen op onze rug.
Zij is toen tussenbeide gekomen, ik was geloof ik tien, en mijn tweede broer en ik werden in een
internaat geplaatst.
Mijn moeder heeft mijn jongste broertje niet laten gaan omdat hij voor de andere kinderen moest
zorgen die mijn moeder had gekregen met mijn stiefvader.
In het internaat was het leven veel beter.
Wel veel regels en discipline maar geen lijfstraffen. Ik deed aan van alles mee, werd misdienaar en
ging bij het koor.
-Zelf nu ik 88 ben kan ik nog steeds niet stilzitten-

De oorlog
Toen ik dertien was, brak de oorlog uit.
Ik werd gelijk opgepakt en in een jongenskamp gestopt met 120 andere jongens in de leeftijd 13 tot
21 jaar.
In het kamp ben ik bijna doodgegaan door ondervoeding.
Er was helemaal niks.
Het enige wat je kreeg was een beetje witte rijst met ubi bladeren. Niet eens de ubi zelf, maar alleen
de bladeren.
We deden van alles om onze buik gevuld te krijgen. We legden vallen aan om katten te vangen die
over het kamp liepen. Of slangen, die je daar veel had.
Ik heb de gekste dingen gegeten.
Als ik dat niet deed ging ik dood, dus ik moest wel.
Ik was dertien en de jongste natuurlijk, de oudste waren de baas.
Mijn taak was het kappen van bomen, om daar houtskool van te maken.
Ik weet ook nog dat er een Japanse bevelhebber was die iets verderop van het kamp goudvissen
kweekte.
Sommige van ons waagden het er op en probeerden wel eens zo een vis te stelen.
Maar als je gepakt werd, moest je de martelkamer in.
Onherkenbaar kwamen die jongens er dan weer uit.
Er was haast niets van ze over, een grote sadist was die vent.
Vlak voordat de oorlog over was, ben ik gevlucht naar Meester Cornelis, een stadsdeel van Jakarta,
tachtig kilometer verderop.
Ik kon terecht bij een Duitse familie, waar ik in de kost ging om wat te eten te krijgen.
Op een gegeven moment zochten ze mensen die meegingen op de boot om naar Australië te gaan.
Er verzamelde zich een groep jongens voor de boot die geselecteerd werden, en ik was daar een van.
Je moest achttien jaar zijn om mee te gaan en ik was toen nog maar zestien. Ik heb gebluft en gezegd
dat ik achttien was. Ik had mijn lengte mee.
En zo geschiedde…
Ik heb een jaar lang op die boot gewerkt, o.a. als pantryboy…
Waarom ik zo graag mee wilde?
Het was een kwestie van overleven.
Daar kreeg ik tenminste te eten.
Toen ik terug kwam, ik was zeventien, kreeg ik een oproep om in dienst te treden.
Ik belandde bij de luchtmacht. Het KNIL.
In die tijd had ik mijn moeder en broers al gevonden, mijn broers woonden bij haar in huis, ze was
haar man (mijn stiefvader) al verloren en was al voor de derde maal getrouwd.
Tijdens een van mijn bezoekjes zat ik bij hun op de veranda en zag ik de verte een man aan komen
lopen.
Hij kwam dichterbij, en zei: Hoi Ferry!
Ik dacht bij mezelf, wat is dat nou voor een vreemde meneer…
Dus ik zei “Dag meneer” ‘Nee’ zegt hij, ‘ik ben jouw vader’.
Toen zag ik mijn biologische vader voor het eerst.
Ik wist niet wat ik moest zeggen…
Hij vroeg, waar is Oma?
En hij liet zijn papieren zien.
Daar stond in dat als ik als de oudste zoon, zestien jaar zou worden, hij de voogdij over ons zou
krijgen.
En die belofte kwam hij nu inlossen.
Ik haalde mijn broers en moeder erbij, mijn moeder begon gelijk te huilen.
Ik zei: “Ma waarom huil je? We hebben toch helemaal niks van u gekregen? Ik zit in dienst, maar als
mijn broers met papa meegaan hebben ze tenminste een eigen kamer, jij laat ze gewoon hier in de
hoek slapen! Daar worden ze weer verzorgd en kunnen ze tenminste naar school!
Het was een show die ze opvoerde, ze gaf niks om ons dat heeft ze nooit gedaan.

Holland
In 1951 kwam ik met De van Olde Barneveld naar Den Haag.
Samen met mijn vader en hij was voornemens een eigen transportbedrijf te beginnen.
Mijn vader was een welgesteld man, en heeft gelijk een huis gekocht bij aankomst in Nederland.
Ik was in Indië al gedemobiliseerd bij de luchtmacht, bij aankomst in Nederland ben ik bij de Marine
gaan werken.
Mijn broers waren twee jaar eerder al naar Nederland gegaan, zij zaten net als ik bij de Marine.
Ik werd in Curaçao gestationeerd en mijn broers in andere werelddelen.
Mijn vader heeft nooit zijn eigen bedrijf kunnen starten hier, hij had er volgens de Nederlandse
maatstaven niet de juiste papieren voor.
Binnen een jaar was hij weer weg uit Nederland, en is samen met zijn vrouw en mijn halfzusje naar
Brazilië vertrokken om daar verder te gaan.
Daar is hij binnen een jaar gestorven, hij had op ons moeten wachten.
Wachten op ons, totdat wij ons bij hem konden voegen en helpen om zijn bedrijf te starten… Maar
dat is achteraf gesproken…
Ik moet wel zeggen, mijn diensttijd was een van de mooiste tijden uit mijn leven. Er bestond geen
discriminatie. De Indische jongens kwamen in allerlei soorten en maten, wit, bruin, geel, zwart, er
was een saamhorigheid.
Dat was heel anders toen wij in Nederland aankwamen.
Ik weet nog dat wij met zijn drieën (mijn broers en ik) in Den Haag liepen, en er een groepje
Hollandse jongen ons begonnen te sarren. Ze riepen “Hey daar gaat het leger van Soekarno!”
Na wat wij meegemaakt hadden in Nederlands-Indië schoot dat bij ons in het verkeerde keelgat en
omdat wij niet zo mondig waren hebben wij erop losgeslagen.
Ik heb veel gevochten vroeger om mijn eer te verdedigen. Dat deden we toen zo in die tijd.
Praten ging ons moeilijker af.

De Liefde
Omdat ik nooit liefde heb gekend, wist ik niet wat dat was.
In mijn tijd in de luchtmacht had ik aan aandacht geen gebrek, alleen wist ik niet hoe ik daar mee om
moest gaan.
Ik was er nog niet rijp voor.
Soms als er meisjes over waren in de kazerne, ging ik naar mijn kamer en kroop ik onder het bed.
Ik was bang voor vrouwen. En ook erg verlegen.
Eerste huwelijk
En toen ik uiteindelijk toch trouwde hier in Holland hoopte ik dat dit echt liefde was.
We hebben samen twee kinderen gekregen.
Ik deed alles wat zij verlangde, hard gewerkt en gestudeerd om vooruit te komen, ik moest voor mijn
gezin zorgen.
Ik wil er niet te veel woorden aan vuil maken, maar als je er na 16 jaar huwelijk achter komt dat ze
verliefd is geworden op de buurman dan doet dat wel veel pijn.
Ze is weggegaan en ik bleef achter met mijn twee zoons die in die tijd 10 en 12 waren.
Ik ben toen een aantal jaar alleen geweest samen met de jongens en dat was best zwaar.
Het fulltime werken, studeren en de kinderen opvoeden.
Mijn moeder, die ook in Holland was, die bleef af en toe een weekend logeren om te helpen met de
kinderen. Maar verder heb ik weinig hulp gehad.
En het hoefde voor mij ook niet meer.
De liefde had mij mijn hele leven al zwaar teleurgesteld.
En ja ik zorgde ook voor mijn moeder, ook al had zij mij mijn jeugd ontnomen.
Dat doe je gewoon als zoon.
Tegenwoordig doen ze dat niet meer, de kinderen.

Tweede huwelijk
Toen kwam mijn tweede huwelijk…
Feitelijk een beetje opgedrongen door mijn moeder.
Zij had een vriendin die een vrijgezelle dochter had met twee kinderen.
Daar probeerde zij mij aan te koppelen.
Ik zei nog, Nee mam ik ben niet verliefd op die vrouw, ik weet niet eens meer wat liefde is!
Ze bleef er steeds maar over doorgaan: “Fer kom nou, dan heb je iemand die je kan helpen, je bent
veel te druk met je werk je studie en de kinderen, nu heb je tenminste iemand voor de jongens en
de huishouding en daarbij, jouw broers zijn ook allebei getrouwd!
Nou daar gaan we dan maar weer dacht ik…
Wel wilde ik gelijk trouwen, want aan samenwonen deed ik niet. Als ik iets doe, doe ik het ook goed.
Het was uiteindelijk toch een te aparte combinatie. Als zij boodschappen deed, deed ze dat voor de
kinderen apart. Boodschappen voor haar kinderen en boodschappen voor mijn kinderen.
Toen ze op een gegeven moment van mijn huis een kerk wilde maken (figuurlijk) ze was jehova
getuige, barstte de bom.
We waren op een gegeven moment zo van elkaar vervreemd.
Na negen jaar huwelijk zijn we uiteindelijk gescheiden.

De liefde van mijn leven
De liefde van mijn leven ontmoette ik pas op latere leeftijd.
Mijn vrouwtje, mijn liefde….
Ik heb haar ontmoet via haar zusje.
Het was een miezerige dag en eigenlijk had ik helemaal geen zin om de deur uit te gaan. Een goede
vriendin van me belde, “Kom nou naar onze kumpulan Fer”.
Ik vond het eigenlijk wel best om alleen te zijn, maar heb me toch over laten halen door haar.
Achteraf gezien was het een vooropgezet plan om mij aan haar zusje te koppelen…
Eenmaal aangekomen was het best gezellig, ik had haar zusje al in de gaten maar er waren zoveel
mannen op dat feest dat ik dacht dat een van hen wel haar man zou zijn.
Dat was dus niet zo.
Na het eten wilde ik richting huis keren maar mijn vriendin hield me tegen en ik raakte in gesprek
met wat de liefde van mijn leven bleek.
Ze nodigde mij die avond uit om kerst bij haar te vieren.
Zo gezegd, zo gedaan. Toen het kerstmis werd ben ik met mijn jongste zoon naar haar toegereden.
We leerden elkaar beter kennen en ik voelde gelijk de binding al.
Het was een fijne kerst..
Daarna heb ik haar gebeld en zijn we samen leuke dingen gaan doen.
Ze haalde me uit mijn isolement, ik was een einzelgänger maar zij hield van uitgaan.
Ze speelde tennis en was veel buitenshuis om dingen te ondernemen.
Zij nam mij daarin mee. Ik vermaakte me prima op het tennisveld, ik hou erg van sporten en heb dat
altijd gedaan.
Ik kroop dankzij haar een beetje uit mijn schulp.
Ze zei dat ze me mooi vond, als ik zo naast haar zat. Ik kan niet zo goed tegen complimenten maar
dat vleide mij wel…
Wat mij het meeste spijt is dat ik haar niet eerder heb ontmoet, ik was zestig toen wij
samenkwamen.
Als ik haar eerder had ontmoet hadden we kinderen van ons beide kunnen hebben, hadden we
langer van elkaar kunnen genieten.
Mijn lieve vrouw, die is er niet meer.
Maar dankzij haar heb ik eindelijk kunnen leren wat echte liefde is.
En nu ben ik weer alleen.
Ik ben vaak verdrietig, mijn zoons zie ik amper.
Tegenwoordig is het blijkbaar niet meer vanzelfsprekend om voor je ouders te zorgen.
Degene die ik echt lief had die zijn er niet meer. Mijn broers, mijn vrouw…
Ik heb veel opgeofferd in mijn leven.
Misschien dat ik daarom wat jaren extra erbij heb gekregen.
Maar voor mij hoeft het niet meer, ik ben wel klaar.
Ik wil naar mijn vrouw toe.