Ik ben wat ze noemen een ‘Totok’ maar ik noem mezelf een Indische.

Maria Catherina Voorhans Huizinga (Tante Dé)
geboren 20 -11-1924 te Padang Sumatra.

Ik wil het ‘Indisch zwijgen’ doorbreken want ik heb gezien wat zwijgen met mensen kan doen.
Ik zelf heb er altijd veel over gesproken, over de oorlog en over wat mij pijn heeft gedaan.
Gelukkig had ik grootouders die ons kleinkinderen vooral aanmoedigde om te praten.
Want dan ben je het kwijt…

Ik ben geboren in Padang Sumatra maar na mijn geboorte verhuisden we al snel naar Magelan Midden Java en van daaruit zijn we naar Bandung vertrokken waar ik een heel gelukkige jeugd ervoer.
Ik heb nog steeds heimwee naar die tijd.
Mijn vader was een KNIL militair en was vaak weg.
Mijn moeder bleef thuis om te zorgen voor mijn broertje en mij samen met de baboes.
Zij voelden voor ons niet als ‘personeel’ maar als familie, zo eigen was het in die tijd.
Toen ik een meisje van tien was kreeg mijn moeder last van galstenen waarvoor zij een operatie moest ondergaan.
Tot ons grote verdriet is zij niet uit de narcose gekomen.
Toen voelde de vrouwen die voor ons zorgden helemaal als familie.

Toen ik zestien was brak de Tweede wereld oorlog uit in Nederlands-Indië.
Vele buurtbewoners waren bang en een van onze vrienden, Dhr Hoekwater dook bij ons thuis onder uit angst voor de Jap.
Uiteindelijk waren wij een van de eerste gezinnen die opgepakt werden en richting kamp vervoerd.
We mochten een matras, handdoeken en wat lakens meenemen en de kleren die we aan hadden. Daarna werd de voordeur achter ons op slot gedraaid en heb ik dat huis nooit meer mogen betreden.
Mijn vader, mijn broertje en ik werden alle drie naar andere kampen gestuurd. Mijn vader naar de Dodespoorweg Pakanbaroe, mijn broertje naar een jongenskamp in Batavia en ik naar kamp Tjimahi in Bandung.

Tot op de dag van vandaag heb ik geen jagung (mais) meer aangeraakt.
Want dat is wat wij drie keer per dag te eten kregen.
Ik word nog steeds misselijk als ik het zie.
De vier jaren dat ik in het kamp verbleef waren verschrikkelijk en wij werden veel gestraft.
Ik maakte onderdeel uit van een groep ‘opstandige meiden’  meiden die op een of andere manier respect afdwongen van de Jap.
Een van mijn groepsgenoten was Connie Vonk.
Connie leek geen angst te kennen en deinsde niet terug voor een pak rammel als ze vond dat ze gelijk had.

Toen Japan gecapituleerd was moesten wij nog een tijdje in het kamp verblijven en op een dag stond mijn broer voor mijn neus.
Hij had van onze vriend Hoekwater gehoord dat ik daar zat. 
Samen zijn wij toen naar Batavia gegaan en hebben onze vader gevonden.
Op dat moment was er nog geen sprake van dat wij voorgoed naar Nederland moesten, ik hield zoveel van mijn Indië maar ik ben toen uiteindelijk wel een jaar met verlof naar Nederland gegaan.
Daar heb ik gewerkt voor het Tribunaal waar de foute mensen die hadden gediend in de oorlog werden berecht. Mijn functie was telefoniste/telexiste.
Na mijn verlof ben ik teruggekeerd naar Nederlands-Indië, waar mijn vader en broer besloten om te repatriëren naar Nederland, besloot ik om te blijven en mijzelf aan te melden bij de Marine.
Daar heb ik in de functie van telefoniste/telexiste twee jaar gediend.
Uiteindelijk was er geen ontkomen aan en ben ik vanuit Batavia met de Willem Ruis door het Suezkanaal naar Nederland gekomen.

Op 27 jarige leeftijd attendeerde ik een dansfeest met mijn collega’s waar ik mijn man ontmoette.
Waarom ik het doorbreken van zwijgen zo belangrijk vind, dat heeft betrekking op mijn man.
Hij heeft de oorlog hier in Nederland meegemaakt en is als jonge man opgepakt en heeft drie jaar in Duitsland in een wapenfabriek moeten werken.
Hij leefde elke dag in angst dat zijn familie misschien wel door wapens die hij maakte geraakt zouden worden.
Mij man is in die tijd hevig getraumatiseerd, net zoals zijn hele gezin die vele ontberingen hebben moeten doorstaan.
Wat zijn ouders deden in de periode na de oorlog, dat kan ik nog steeds niet begrijpen.
Er mocht niet over gesproken worden, nooit.
Mijn man vertelde mij ook nooit wat over zijn trauma’s.
We kregen samen vier kinderen, drie dochters en een zoon, waar we erg blij mee waren.
Maar langzaam vraten de trauma’s die mijn man had opgelopen in de oorlog hem op.
Niet alleen hem, maar ook zijn broers en zus.
Wat resulteerde in onvermogen om psychisch ‘gezond’ te kunnen functioneren.
Het zusje van mijn man heeft zelfmoord gepleegd, en zijn broers werden opgenomen in een psychiatrische kliniek.
Uiteindelijk is ook mijn man 22 jaar lang opgenomen geweest in een kliniek, omdat hij niet met het verleden om kon gaan.

Daarom vind ik het zo van belang dat er gesproken wordt.

Gesproken over wat pijn doet maar ook gesproken over wat mooi is.
Mijn man kon de emoties die hij verbaal niet kon uiten, kwijt in zijn schilderijen.
Hij heeft prachtwerken geschilderd en is daarvoor ook in de prijzen gevallen.
Ook in schaken kon hij opgaan, en heeft daarmee vele bekers gewonnen.

Nu zit ik hier in Apeldoorn op een locatie van Nusantara en ik heb nog geen moment spijt gehad.
Ik heb het hier heerlijk en het toeval wil dat ik mijn jeugdvriend Dhr Hoekwater hier na 74 jaar weer tegen kwam.

De wereld kan klein zijn af en toe…
Ik voel me thuis en kan hier gewoon ‘Indisch’ zijn.
Het personeel, van de Verpleegkundige tot aan de dames van de wasserette zijn zo vriendelijk.
Ook heb ik continue aanloop van al mijn familie, kinderen en kleinkinderen.
Ik geef mijn Indisch verleden door aan mijn nakomelingen omdat het voor mij belangrijk is om over te praten.

Zodat wij niet vergeten