Het winnend verhaal!

Eens waren mijn kleinkinderen … kleine kinderen

De telefoon rinkelde. De mobiele telefonie was nog ver in het verschiet. De vragende stem van mijn kleindochter Esra, vier jaar oud en rap van tong was te horen. ‘Oma, mag ik bij jou komen spelen en daarna slapen?’ ‘Ja schat, natuurlijk. Wanneer kom je dan?’ ‘Strakjes.’ ‘Goed, kom maar.’ Zonder in mijn agenda te kijken wist ik dat ik geen afspraken had. Esra belde eerst van tevoren of ze mocht komen. Het zou oma bijvoorbeeld niet schikken. De werkende oma’s konden niet zonder agenda’s. Ik behoorde destijds tot die categorie.

Luid lachend en roepend kwam ze s ‘middags, met haar twee jaar oudere zus Laureen aangehold. Hun moeder liep op haar gemak achter hen aan. Ze hoefden niet eens aan te bellen, ik hoorde ze al op afstand en maakte de deur open. Twee licht getinte meisjes, het resultaat van de liefde van een Nederlandse vader en een Molukse moeder. In fleurige jeans en dito shirts gestoken, met twee wapperende staartjes, stonden ze op de stoep. Esra had een blauw gebloemd plastic logeerkoffertje in haar hand dat ze meteen aan mij overhandigde. Smak, smak. Twee dikke natte zoenen die naar aardbeien roken. Ze hadden in de auto gesnoept. Bij binnenkomst en vertrek kusjes voor de grootouders. Dat was vaste regel. ‘Zo nona² manis, hoe is het met jullie?’ ‘Goed oma, en met jou?’ ‘Waar is opa?’ ‘Met mij gaat het prima, opa komt zo, hij laat Chakra even uit.’ Binnen kiepte Esra de inhoud van haar koffertje op de grond en liet zien wat ze allemaal zelf had ingestopt, vissend naar een compliment. Wat ik haar ook gaf. ‘Goh, wat goed van je Es.’

Laureen pakte het Moluks kwartetspel. ‘Oma, zullen we samen kwartetten?’ Zij is dol op allerlei spelletjes en laat geen moment onbenut om daarmee bezig te zijn. Een enkele keer probeerde zij met gefronste wenkbrauwen en tuitende lippen de Maleise woorden te vormen. Haar gelaat drukte één en al expressie uit. Het klonk komisch uit een kindermond die slechts Nederlands sprak. ‘Waarom praten jullie Engels?’, zei Esra eens tegen ons, toen mijn man en ik in onze eigen taal, spraken. Wij lagen in een deuk. ‘Het is geen Engels meisje, maar Maleis. Je weet toch wel dat wij uit de Molukken komen?’ ‘Ik kan jullie niet verstaan.’ ‘Dat hoeft ook niet, als opa en ik elkaar maar verstaan,’ zei ik lachend. Haar donkere ogen keken me boos aan. Toen ik zei dat zij dit zelf ook later kon leren, was ze tevreden. Ze wilde alles weten. Echt een nieuwsgierig Aagje. Een bekend karaktertrekje, ik was vroeger ook zo. Ondertussen is opa binnengekomen. Haren reeds grijs, maar nog sterk van lijf en jong van geest. Esra stoof op hem af. ‘Opa mag ik op de schommel’ ‘Tuurlijk meisje.’ Opa ging de achtertuin in om de schommel gereed te maken. Chakra, onze grote herdershond blafte van blijdschap. In de achtertuin had Opa ringen, schommels en van alles voor de kleinkinderen in elkaar gezet. Opnieuw hoorde ik kinderstemmen. Deze keer werd er aangebeld. Sarai, acht jaar oud, superslank met lange steile haren en haar vijfjarige broertje Mooz, stoere knul met een kuifje dat stijf rechtop stond van de gel, stond voor de deur. Ook hier een melange van een Molukse vader en een Nederlandse moeder. ‘Nee maar, wat gezellig!’ ‘Hoi oma, klonk het uit twee kinderkelen en zoef gingen ze naar binnen de anderen tegemoet. ‘Hallo, hallo, zouden jullie mij eerst niet begroeten zoals het hoort?’ Na twee vluchtige kusjes die ergens op mijn voorhoofd en neus belandden, gingen ze de achtertuin in. Sarai wilde ringen. Mooz riep: ‘Kom opa, we gaan kaarten, maak je borst maar nat, ik ga van jou winnen!’ Opa had zijn kleinkinderen ‘empat daun’ leren spelen. Een kaartspel waar vier kaarten de hoofdrol spelen, de spelers moeten kleur en soort bekennen. Wie met 7 klaver als laatste uitkomt, verdient extra punten. Uiteraard liet opa zijn kleinzoon winnen.

Sarai besloot om samen met Esra te blijven slapen. Na het avondeten bestaande uit, opa’s specialiteit; heerlijke bruine bonensoep met geurende kruidnagel, rijst, daging smur en sayur lodeh, vervolgens nog een toetje, was het tijd voor ‘Ronda’. Een Moluks gezelschapsspel met een wandeling door de Molukken op de grote kaart en het beantwoorden van allerlei vragen omtrent de Molukse geschiedenis. De kleintjes mochten de dobbelstenen gooien en de pionnen verplaatsen. De volwassenen testten hun intelligentie uit. De drie generaties waren in hun sas. Op een gegeven moment waren ze moe. Laureen ging met haar moeder naar huis. Mooz’ moeder haalde hem op. Vanwege werkzaamheden waren beide vaders afwezig.

Na het tanden poetsen en douchen was het bedtijd. ‘Oma, jij moet bij ons slapen!’ ‘En opa dan? Vroeg ik. ‘Jij mag morgen bij opa slapen.’ Het is een steeds terugkerend woordenspel als ze bij ons logeren. Nadat Sarai een verhaaltje uit het grote sprookjesboek had voorgelezen voor ons drietjes, werd het avondgebed gezongen. ‘Wij gaan slapen, wij zijn moe.’ ‘En nu ogen dicht en mondjes dicht.’ Kusjes werden uitgedeeld. ‘Welterusten!’ Ik draaide me om en deed alsof ik sliep. De meisjes giechelden. Ik voelde kleine handjes op mijn rug die mij kietelden. ‘Oma, als jij dood bent, ga je in de kist en dan ga je in een grote mensenoven,’ hoorde ik Esra zeggen. Hoe komt ze daar nu opeens aan, dacht ik. ‘Ik wil helemaal niet in een oven, ik wil in een kist en dan in de grond.’ zei ik. ‘Nee, dat moet!’ ‘Eerst in een kist dan in een oven en dan in de grond. En dàn ga je naar de hemel’, was haar antwoord. Waarschijnlijk had ze dat een keer op de televisie gezien of van andere kinderen gehoord. ‘Ik ga niet met je in discussie, we praten er een andere keer over. Goed?’ ‘Oké!’, klonk het als een volwassene uit een mond van een kleuter. Ik besefte reeds lang dat de kinderen van deze generatie vroegwijs waren. Na nog een tijdje gegiechel en gefluister achter mijn rug, vielen mijn kleindochtertjes in slaap. Ik stapte geruisloos uit bed om samen nog de rest van de avond met opa door te brengen.

De tijd vliegt!

Anno 2018.
De kleinkinderen zijn nu volwassen personen. Eenieder zoekt zijn eigen weg met een bepaald doel voor ogen.

J.C. Tomasila – Snell


 

Eervolle vermelding!

De bende van Wander

Ik verveelde me. De grote vakantie duurde lang en geregeld ging ik de straat op, in de hoop iemand te vinden om mee te spelen, een vriend, of een groepje op het plein om zomaar bij te horen of te voetballen. Op een keer kwam ik Wander tegen. De moeder van Wander en mijn moeder waren goede vriendinnen. Zo kenden we elkaar. Hij was bijna elf, net als ik.

‘Ik heb nu geen tijd om te voetballen,’ zei Wander, ‘ik moet naar oma.’ Hij stapte stevig door en vertelde ondertussen dat zijn opa niet meer leefde; zijn oma was met de ouders van Wander meegekomen op de boot uit Indië naar Nederland. Na lang wachten in het opvangcentrum was haar een huisje toegewezen bij ons in de wijk. Al pratend kwamen we uit bij het poortje naar de achtertuin van zijn oma. Iedere zaterdag hielp Wander zijn oma, oma Duthler, hij knapte klusjes voor haar op in haar nieuwe huis.

Of ik mee mocht helpen? ‘Natúúrlijk,’ zei zijn oma, ‘er is genoeg te doen.’ Even later veegden Wander en ik het plaatsje schoon achter het huis, ieder met een eigen bezem, terwijl oma in haar keukentje Belgische frites bakte. Toen we klaar waren kregen we ieder een diep bord vol friet met op de hoge rand een flinke dot mayonaise. Heerlijk. Wat kon die oma lekker koken.

‘Oma woont hier nog maar kort,’ zei Wander, terwijl we aan de keukentafel de frieten naar binnen werkten, ‘maar ze is nu al beroemd. Vanwege haar Indische eten, ze maakt het weleens klaar voor de Brabantse Indiëgangers in de buurt.’ Zijn oma kirde van het lachen. Bij haar in huis hing altijd de geur van gekookte rijst met pandanblad. ‘Oma Duthler heeft een rare kostganger,’ ging Wander smakkend verder, ‘het is een militair uit Indië, nogal op zichzelf, geen familie, geen vrienden. Meestal ligt hij boven op zijn kamer op bed en ‘s avonds bedrinkt hij zich in de kroeg, maakt daar ruzie of vertelt stoere verhalen.’

‘Waarover dan,’ vroeg ik.

‘Nou,’ reageerde Wander geheimzinnig, ‘vooral over hoeveel hij er over de kling heeft gejaagd in zijn tijd als soldaat bij het KNIL. Zo heette vroeger het leger in Indië, het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger.’ Wander streek met zijn laatste friet het restje mayonaise van zijn bord. ‘Je maakt je zorgen, hè oma? Hij heeft allemaal sloten gemaakt op de binnenkant van zijn slaapkamerdeur? Iedere keer komt er weer een slot bij. Want ’s nachts in bed doet hij het in zijn broek. In zijn dromen is hij niet veilig. Dan komen de geesten en de schimmen uit zijn verleden. Iedereen die hij ooit over de kling heeft gejaagd.’

’Niet netjes van jou om zo te praten,’ zei oma, ‘straks staat hij in een keer voor de deur.’

Na die zaterdag kwam ik wel vaker bij de oma van Wander en deed dan samen met Wander klusjes in ruil voor een bord friet. Op een van die zaterdagmiddagen moest de oma van Wander even weg, boodschappen doen in de nieuwe supermarkt in het dorp. ‘Zoveel aanbiedingen, zo goedkoop,’ zei oma, ‘jullie redden je wel, toch?’ We keken hoe ze vertrok op haar damesfiets met achterop twee grote fietstassen. Oma was niet meer de jongste en als ze op de zwarte Batavus wegreed, wiebelde de oude fiets een beetje.

Daarna zei Wander samenzweerderig: ‘Kom. Hij is niet thuis. We gaan op zijn kamer kijken.‘

‘Bij die oude man? Wander, ik weet niet …’

‘Doe niet zo kinderachtig,’ zei Wander, ’we gaan naar boven.’

Weifelend liep ik achter Wander de trap op naar de kamer van de oude man. De deur naar zijn kamer was niet op slot, we konden zo naar binnen. De gesloten overgordijnen filterden het licht van buiten, in het vertrek heerste een geheimzinnige schemering. Tegen de muur stond een strak opgemaakt eenpersoonsbed, voor het raam een tafel met bureaustoel en in een hoek van de kamer een houten scheepskist. Dat was het enige meubilair. Boven zijn bed hing een schilderij met palmbomen in een tropennacht en op het behang ernaast waren wat foto’s uit tijdschriften geplakt van ondeugend kijkende vrouwen met blonde krullen, de lange slanke benen bloot op hoge hakken.

‘Pin-ups,’ wist Wander.

Op de scheepskist stond een fotolijstje met de beeltenis van een troep soldaten.

‘Dat is hem,’ wees Wander aan, ‘en dat zijn de mannen van zijn legereenheid in Indië. Het Korps Speciale Troepen. Die daar in het midden is hun commandant. Westerling. Kapitein Westerling.’

‘En wat is dat?’ vroeg ik. Op de kist lag iets. Ik durfde het niet aan te raken.

Wander wel. Hij pakte het in zijn hand. ‘Een klewang, een sabelmes.’ Hij maaide ermee door de lucht. ‘Je kunt er iemand mee de keel doorsnijden.’

Ik hield goed in de gaten wat Wander met de klewang deed.

Een bulderende stem achter ons deed ons verstijven: ‘Leg neer dat dingǃ zeg ik. Leg neerǃ’

In de deuropening stond de oude man, een stok in de hand, zijn ogen spoten vuur. We waren er gloeiend bij. ‘Dacht je nou echt dat je mij kon belazeren. Dacht je nou echt dat ik het niet in de gaten hadǃ’

Ik vroeg me af hoe het hem was gelukt geruisloos het huis binnen te komen en de trap op te sluipen.

‘Blaaskaak.’ Hij deelde met zijn vrije hand een tik uit aan Wander, maar die wist hem met zijn elleboog af te weren. ‘Je bent hier vaker geweest hè? Rondscharrelen als een dief tussen mijn spullen.’

Daarna keek hij argwanend in mijn richting.

‘En wie ben jij?’ Ik keek in zijn verweerde gezicht, tropenbruin van kleur met zwarte vlekken op de huid van de zon.

‘Ronnie, meneer.’

‘Spreekt met twee woorden. Komt zeker uit een goed nest. Anders dan …’ Hij haalde nog eens uit naar Wander en deze keer kwam de tik wel aan. Wander schreeuwde het uit, zo te zien meer van de schrik dan van de pijn.

‘Wat doe je hier. Wat zit je rond te snuffelen in mijn kamer?’

‘Ik wil het weten,’ gilde Wander

‘Wat wil je weten?’

‘Van kapitein Westerling. En van mijn vader’

De oude man keek Wander aandachtig aan. ‘Westerling. Hoe kom je aan die naam?’ Hij klonk niet meer zo bars.

‘Van mijn vaderǃ’

‘O? Wat heeft hij je verteld?’

‘Dat is ’t ‘m nou juist,’ zei Wander verontwaardigd, ‘hij vertelt nooit ietsǃ Alleen dat hij bij Westerling in het Korps Speciale Troepen heeft gediend. Volgens mijn moeder denkt hij nog vaak terug aan de oorlog in Indië, aan wat hij daar heeft meegemaakt.’ Wander krabde van opwinding op de mouw van zijn trui. ‘Maar praten over wat er in hem omgaat, ho maar! Als je er iets van zegt gaat hij zomaar uit het niks tekeer. Heeft het te maken met die Westerling? Ik wil weten waarom hij zwijgt. Is dat te veel gevraagd?’

‘Ja, je vraagt wel veel,’ zei de oude man, ‘maar je hebt ook lef.’ De man zette zich op de enige stoel in de kamer en pakte een sigaret.

‘Goed. Kom allebei maar zitten op het bed, jij ook.’ De eerste trek aan zijn sigaret veroorzaakte een vieze kruidige stank. ‘Kretek. Niet lekker zeker?’ vroeg hij geamuseerd.

‘Ik weet niet of ik nou ruzie krijg met je vader. Je vader was in het KNIL een strijdmakker van mij, moet je weten. Een verdomd goeie vent, zoals hij zich over jullie gezin heeft ontfermd, het gezin van een gesneuvelde kameraad. Bij elkaar wel een zooitje ongeregeld: twee kinderen van haar eerste man en dan nog dat kleine Japannertje, verwekt door de vijand, wat een ellende en daarna heeft hij jou nog bij haar gemaakt.

Ik was er niet aan begonnen. Ik heb al in twee rotoorlogen gevochten en er is er nog eentje in aantocht. Een gezin is niks voor mij, veel te kwetsbaar, als straks de Russen komen. Maar ik snap het wel, je moeder ziet er nog steeds goed uit, ook al heeft ze vier kinderen gebaard.’

De oude man drukte zijn sigaret uit op het tafelblad en sloeg zijn armen over elkaar.

‘Nog voor de komst naar Nederland heeft hij jullie onder zijn hoede genomen. Daar mogen je grote broers wel wat dankbaarder voor zijn. Die werken niet echt mee. Ondankbaar tuig. Van meet af aan moesten ze hem niet, die lastpakken.

Ik snap het wel. Ze hadden ook al zo lang zonder vader geleefd. In twee oorlogen moesten ze zich zonder vader zien te redden. En toen het voorbij was, kwam er eentje bij hun wonen, niet eens hun echte vader, die ze wel even zou vertellen wat ze wel en niet mochten doen.

Dat dwarse, dat krijgt hij er nog wel uit bij jullie, reken maar. IJzeren discipline, net als in het leger, daar gaat het om.’

Wander had het verhaal onbewogen aangehoord, alsof het hem niet interesseerde.

‘En Westerling?’ vroeg hij.

‘O ja Westerling. Daar kwam je ook voor.’ Even keek de oude man ver weg, voordat hij verder ging. ‘Die Japanners waren Indië nog niet uit toen die Hezbollahbendes en de rebellen van de Republik Indonesia begonnen te rotzooien. Het was lastig tegen ze te vechten. Om je de waarheid te zeggen, we zaten er helemaal doorheen toen die Westerling commandant werd van onze gevechtsgroep. Dat was in ons legerkamp in Batavia. We moesten allemaal voor hem aantreden. Voor de vlootschouw, zo noemde hij dat. “Jullie vechten verkeerd,” zei Westerling tegen de gevechtsgroep, “zo onderdruk je geen opstand.” Hij zou ons bijbrengen hoe we tegen guerrilla’s moesten vechten.

“Ik wil alleen maar vrijwilligers,” zei Westerling, “ik wil geen lafaards en slappelingen. Wie niet mee wil doen moet nu gaan.” Ik had toen weg kunnen lopen. Had ik het maar gedaan zoals de meesten. Maar ik zei, ja. Want ik vond mezelf geen slappeling. Goed, wij mee met Westerling naar Zuid-Celebes. Het was een geheime operatie van het KST, het Korps Speciale Troepen, zo heette onze strijdgroep. Met een paar honderd man moesten we het verzet van de Indonesische vrijheidsstrijders de kop in zien te drukken op een eiland zo groot als Frankrijk. Eigenlijk was het onbegonnen werk, maar de kapitein had iets bijzonders over zich, charisma noemen ze dat. Dat kun je alleen maar begrijpen als je erbij bent geweest, hij was een geboren leider.’

 ‘Je moet weten, Westerling had zo zijn eigen methode in de strijd met de rebellen. Eerst de desa omsingelen. Dan alle rebellen met een wapen van kant maken. Daarna werd de bevolking bijeengedreven in de open lucht, de mannen bij de mannen, en dan pikte de kapitein er altijd een paar uit voor verhoor. Hij had een feilloos gevoel voor wie er fout was, hoe hij dat deed weet ik niet, het leek wel of hij het kon horen aan de klank van hun stem.’ Er viel een stilte, de oude man keek even ver weg. ‘Nou dat maakte indruk, die executies daar in de open lucht. Iedereen moest toekijken, van groot tot klein. In ieder dorp en in iedere stad gebeurde het. En het werkte, de opstand bloedde dood.’

‘En mijn vader?’ onderbrak Wander de oude man ongeduldig, ‘heeft hij daaraan meegedaan?’

‘Ja, hij was erbij en natuurlijk, hij heeft eraan meegedaan, net als ieder van ons, het moest.’

‘Ik heb hem anders nooit iemand kwaad zien doen’, zei Wander.

‘Dat snap je niet, dat kun je niet snappen,’ zei de oude man. ‘In oorlogstijd is alles anders.’

Wander wilde er iets van te zeggen , maar hij kreeg geen kans.

‘Zit er nou niet steeds doorheen te tetteren,’ zei de oude man, ‘anders raak ik nog kwijt wat ik wil vertellen.’ Hij zocht in zijn zakken en pakte een nieuwe sigaret. ‘Op een gegeven moment waren we klaar met ons werk, alles was perfect. De kapitein had zijn geheime opdracht voltooid en op Celebes een zelfstandige staat gesticht met een eigen regering. Het plan was wonderwel gelukt. Zo moest het ook in de rest van Indië gaan van de Nederlandse regering om zo Soekarno en zijn Republik Indonesia in de wielen te rijden. Indië moest van Nederland een soort losse statenbond worden met in ieder deel van de archipel een eigen regering.

Maar wat deden die malloten in Nederland in ‘49? Bij de onderhandelingen over de onafhankelijkheid gaf de regering in Den Haag de hele archipel zomaar weg aan Soekarno. Wat een puinhoop. Al dat bloed, al die doden, het was allemaal voor niets. We zijn verradenǃ’ Zijn stem klonk verbitterd. ‘We zijn gebruikt, we waren niet meer dan pionnen in een schaakspel. Zo gaat dat met soldaten in de oorlog. Je doet wat je moet doen en verder moet je er niet te veel bij nadenken. Wel zielig voor de Molukkers die met ons meededen. Nederland had ze een eigen Molukse staat beloofd. Goede soldaten waren het. Vechten! Branimati, braai makan pèlor.

‘Wat betekent dat?’ Vroeg Wander.

‘Dat was hun devies. Dat is Ambonees voor Wij zijn niet bang voor de dood, we trotseren de kogels.’ De man ging verzitten. ‘Ze zijn voor Westerling tot het uiterste gegaan en daarna konden ze fluiten naar hun land. Ze kregen zelfs hun land niet meer te zien. Nee, ze werden hup, zo op de boot naar Nederland gezet, samen met hun vrouwen en hun kinderen, of ze wilden of niet. Wat moesten ze anders? Als ze daar waren gebleven waren ze allemaal afgemaakt door de Indonesiërs.’

De oude man richtte zich op in zijn stoel. ‘Zo is ’t wel mooi geweest,’ zei hij,

‘genoeg voor vandaag.’ Van zijn sigaret was niet meer over dan een brandend stompje, bij het uitdrukken maakte hij een schroeivlek op het tafelblad, ‘Ik weet niet of je het allemaal begrijpt, volgens mij ben je daar nog veel te jong voor. Aju. Ingerukt marsǃ’

De maanden erna ging ik op woensdagmiddag dikwijls naar Wander om bij hem thuis te spelen. Het ging er bij Wander anders aan toe dan bij ons. Net als ik had hij allemaal broers, die groter en ouder waren dan hijzelf en als ze ruzie maakten vochten ze met hun blote handen en sloegen er op los. In het weekend gingen zijn grote broers op stap in de grote stad. Op zondag vrij dansen in de dansschool en op zaterdag in een van de cafés op de Markt en maakten regelmatig ruzie, meestal om een meisje. Dat een meisje uit Brabant het aanlegde met de Indische broers, dat vonden die Brabantse jongens niet leuk, dan werd het vechten en vlogen de stoelen door de lucht.

Een broer van Wander was sergeant in het leger en Wander wilde ook het leger in, bij de stoottroepen, net als vroeger zijn vader in Indië. Na aankomst in Nederland was zijn vader gedemobiliseerd en sinds die tijd werkte hij als hoofdportier in de grootste textielfabriek van het dorp. Hij was niet meer de jongste, maar met zijn uniform, zijn rijlaarzen, zijn koppelriem met lege pistooltas en zijn pet zag hij er nog steeds indrukwekkend uit, eerder als een politieagent dan als een portier.

Wanders vader praatte nog steeds niet over wat hij in Nederlands-Indië had meegemaakt. Maar Wander en ik wisten wel beter als hij weer eens in gedachten verzonken was. Na ons bezoek aan de kostganger van oma Duthler kenden wij de verhalen die zijn vader niet kon vertellen. Zijn vader probeerde die te vergeten, maar was gedoemd te leven met zijn herinneringen. Zijn kris lag altijd bij hem in de buurt.

Mijn ouders kochten in 1963 een nieuw tv-toestel met een veel groter beeldscherm dan we gewend waren. Het was nog wel een zwart-wit tv. Via het grote scherm drong de wereld nu pas echt onze huiskamer binnen. Op het NTS-journaal zaten we plotseling midden in een oorlog, in Vietnam. Avond aan avond zaten we gekluisterd aan het beeldscherm en zagen we hoe oorlog er in het echt uitzag.

Aan het begin van de zomer zond het televisiejournaal beelden uit van zwarte mensen in Amerika, zwarter dan Freddie Hoed, die bij ons in de straat woonde en altijd beweerde dat zijn opa uit Paramaribo ooit slaaf was geweest. Op tv was te zien hoe twee zwarte studenten probeerden zich in te schrijven voor de universiteit in Alabama. Voor de ingang van de universiteit werden ze uitgejouwd en bespuugd door razende blanke mannen en vrouwen. Amerikaanse agenten, dik en wit, met motorhelmen en zonnebrillen, keken toe en het was niet duidelijk wat nou hun bedoeling was. Wilden ze de zwarte studenten de weg versperren bij de ingang van het universiteitsgebouw? Of beschermden ze de zwarten tegen de razernij van de blanken? Eén zwarte man was veel aan het woord. Het was een dominee. Martin Luther King. Avond aan avond waren de beelden op het journaal. En steeds deden de motoragenten niets, of wisten ze niet goed wat ze moesten doen?

Die televisiebeelden maakten me bang. Voor het eerst hoorde ik het woord rassendiscriminatie, een woord dat ik niet kende. Voor het eerst werd ik me bewust van de kleur van mijn huid, die anders was en donkerder dan die van de meeste andere kinderen in mijn omgeving. Als hier maar niet hetzelfde zou gebeuren als in Amerika. Ik moest er niet aan denken dat hier mensen zouden opstaan die vonden dat ik en andere Indische kinderen niet mochten studeren. Die vonden dat de ambachtsschool goed genoeg voor ons was. Mijn grote broer was het overkomen. Die zat nu op de LTS en maakte zijn handen vies in de les.

Ik geloof dat wat later dat jaar die zwarte studenten in Alabama toch werden toegelaten op de universiteit. Dat kwam omdat Kennedy, de president van de Verenigde Staten, er zich mee bemoeide en zelfs het leger erop af stuurde. Niet dat iedereen in het zuiden van de VS hem dat in dank afnam, want later dat jaar, aan het eind van de herfst, was op tv te zien dat de president, tijdens een bezoek aan een van de zuidelijke staten, werd doodgeschoten in een open limousine, terwijl zijn vrouw naast hem zat.

Mijn ouders keken ook naar de televisiebeelden. Hoofdschuddend. ´Wat een achterlijk land is het toch,’ zei mijn moeder vol afschuw. Dat was tegen het zere been van mijn vader, die o zo graag naar Amerika wilde emigreren. Regelmatig kocht hij Amerikaanse tijdschriften of nam ze mee van zijn werk. Time. Newsweek. Look. Dat mijn moeder ooit mee zou verhuizen naar Amerika, dat kon hij nu wel vergeten.

 De artikelen in de tijdschriften waren niet in het Nederlands geschreven, maar toch probeerde ik de woorden te begrijpen. Wekenlang keek ik gefascineerd naar een tekening in Look. Op de tekening was een zwart meisje te zien op weg naar school. Voor en achter haar liepen agenten in burger met een band om hun bovenarm met daarop in koeienletters U.S. MARSHAL. Sereen en stil liep ze over straat, haar schrift, een boek en een liniaal hield ze vastgeklemd in haar linkerhand.

’s Nachts droomde ik van haar. Ik droomde dat ik naast haar liep, op weg naar school. Alles in mijn droomwereld was in zwart-wit, net als op de televisie, alleen de schoolspullen die het meisje met zich meedroeg, waren gekleurd. De mensen om ons heen schreeuwden, ‘no blacks in here’, ze vloekten en spuugden naar het meisje.

Het kabaal om ons heen was oorverdovend maar als ik naar haar keek, dempte het geluid en konden we een gewoon gesprek met elkaar voeren, net of we elkaars gedachten konden lezen.

‘Waarom zijn die mensen toch zo boos?’ zei ik.

’Weet ik niet,’ zei het meisje, ‘kijk daar, ze hebben rode tomaten in hun hand, straks gooit iemand er een raak … al rode spatten op mijn witte jurk … dat ziet er toch niet uit, de hele wereld kijkt naar mij, overal zijn camera’s om te filmen en foto’s te maken.’

We kwamen aan bij de school van het meisje, we stonden op het punt de grote schooldeur binnen te gaan. Even draaide ze zich naar me toe en keek me aan. ‘Ik doe dit liever niet, maar ik moet dit doen,’ zei het meisje. ‘Het is mijn plek in de geschiedenis, zegt mijn moeder. Het is belangrijk voor de toekomst van alle mensen.’ Ze was even stil. ‘Later, als ik groot ben wil ik geschiedenis studeren. Ik ga de geschiedenis schrijven van de zwarte mensen. Die hebben nog geen geschiedenis. En jij, wat ga jij doen?´

‘Ik?… eh, ik weet niet wat ik wil worden,’ hakkelde ik, ‘architect lijkt me wel wat.’

De gang achter de schooldeur was donker. Toch aarzelde het meisje geen moment en stapte naar binnen.

Ik weet niet of dat gedoe in Amerika ermee te maken had, maar het kwam wel vaker voor dat een stel van die Brabantse jongens uit het oude dorp de Indische kinderen lastigviel en de laatste tijd leek het getreiter erger te worden. Vooral de meisjes moesten het ontgelden. Ze werden nageroepen, ‘pinda-pinda, lekka-lekka’, ‘ga terug naar je eigen land, apekop’, en ‘vieze vuile poepchinees’, alsof we Chinezen waren. Die van het oude dorp waren zo simpel, die kenden het verschil niet eens, zo weinig hadden ze van de wereld gezien, misschien waren ze nog nooit buiten hun eigen dorp geweest.

Toen ik weer eens thuis bij Wander kwam, stond hij in de achtertuin met om zich heen een groep jongens. Wesley, die zo geniepig kon vechten, was erbij en Freddie, ook een Indische jongen. Wander was behoorlijk over zijn toeren. Ik had weleens eerder meegemaakt dat hij kwaad was, dan schopte en sloeg hij tegen alles wat hij onderweg tegenkwam, zelfs tegen de stenen schuur in hun tuin. Voor alle zekerheid bleef ik een beetje uit zijn buurt voordat ik zei: ‘Doe een beetje rustig man. Wat is er met jou aan de hand?’

Met een getergde blik draaide Wander zich om. ‘Je weet het nog niet. Het is Tilke. Mijn nichtje Tilke. Ze is totaal overstuur.’ Hij schraapte zijn keel. ‘Tilke is bij de bosrand gepakt door een stel van die Brabantse jongens en tegen de grond gewerkt. Ze zijn op haar armen en benen gaan zitten, zodat ze geen kant meer op kon, en daarna is ze overal bevoeld.’ Ik keek naar mijn schoenen. Zoiets doe je toch niet. Arme Tilke.

‘Haar ouders deden aangifte bij de politie,’ ging Wander verder, ‘maar die kan niets doen. De jongens waar het om gaat, ontkennen alles. Agenten die het onderzoek deden, zeggen dat ze het aan zichzelf heeft te danken. Omdat ze haar een jongensgek vinden.’

Tilke was van de zomer bij ons in het dorp komen wonen. Ze was niet veel ouder dan wij, maar in haar vlotte overgooier zag ze eruit als een meisje dat veel verder was en al op de middelbare school zat. Iedereen had een oogje op Tilke, ik ook. Ze was de mooiste van alle Indische meisjes. Sierlijk, exotisch, zoiets hadden de dorpsbewoners niet eerder gezien. Als Tilke over straat liep, keek iedereen. Alsof de koningin voorbijkwam.

Tilke had altijd een kring jonge bewonderaars om zich heen, die haar o zo graag wilden zoenen, maar de meeste jongens was ze te snel af. Voor Tilke was het niet meer dan een spel. Als ze zich liet pakken, dat kwam bijna niet voor, mocht je haar een kusje geven en daar bleef het dan bij, daar zorgde Tilke wel voor. Als ze niet wilde, was Tilke als kwikzilver, ongrijpbaar.

Lang ging dit goed tot, na een winterstop, in het voorjaar het spel met de jongensharten opnieuw was begonnen en uit de hand was gelopen. Het was niet leuk meer, het was omgeslagen in rauwe ernst.

Na wat er was gebeurd duurde het dagen voordat Tilke zich weer op straat durfde vertonen. Iedereen, iedereen kon zien dat er iets was gebeurd met het meisje met de sprankelende ogen, die onschuld in haar blik was verdwenen.

‘Het is hun manier om ons te onteren,’ zei Wander verontwaardigd. ‘Ze laten zien dat ze kunnen doen wat ze willen, dat we zelfs niet in staat zijn onze meisjes te beschermen. We moeten iets doen. Anders blijft het doorgaan.’

‘En wat dan wel?’ vroeg ik.

‘We gaan het doen als Westerling, we gaan die schoften eens goed bang maken en ze wat ontzag bijbrengen.’

‘Ze zijn anders wel ouder en groter dan wij.’

‘Maakt mij niet uit.’ Wanders toon werd ijzig. ‘Ik kan ze wel aan.’ Van de weersomstuit liep hij naar de schuur en beukte met zijn blote vuist een barst in het raam van de schuurdeur.

‘Stoer manǃ’ zei Wesley vol bewondering. ‘Als het erop aankomt moeten we met meer zijn, of anders pakken we hun jonge broers wel … ik heb nog een idee,’ zei hij op hoge toon. ‘Mijn grote broer is al drie keer naar dezelfde film geweest. Die draait nu al een jaar in de bioscoop. Het gaat over jeugdbendes in Amerika. Zoals die vechtenǃ De West Side Story, zo heet die film.

‘Jeugdbende. Ook goed,’ zei Wander afwezig. ‘We beginnen een jeugdbende. Als er maar een einde komt aan het getreiter. Een bende moet natuurlijk wel een hoofdman hebben.’ Zijn stem klonk nu vastbesloten. ‘En dat ben ik, want ik durf het meest.’ Omdat niemand het waagde Wander tegen te spreken, benoemde hij zichzelf tot hoofdman van de bende.

‘Je bent niet zomaar een bende,’ zei Wesley. ‘Je moet eerst bewijzen dat je een bende bent.’

‘Hoe dan?’ vroeg ik. Ik vertrouwde het voor geen cent.

‘Kom,’ zei Wander, ‘ik weet wel iets. We moeten een voorbeeld stellen. Iedereen doet mee.’

Wander zette er stevig de pas in. We holden achter hem aan en vroegen ons af wat hij van plan was. Als goedgetrainde commando’s stoven we door de achterpaden van de wijk. Ongezien staken we straten over naar de volgende gang aan de overkant. Zo ging het door, tot Wander stilhield bij een onbekende achtertuin. Waarom? vroeg ik me af. Woonde hier soms een van de jongens die Tilke had lastig gevallen? Het poortje stond open. Wander stapte de achtertuin binnen en liep door naar de keukendeur, maar die was op slot. Zo te zien waren de bewoners niet thuis.

Daarna keerde hij terug naar het stenen schuurtje halverwege de tuin. Hij tuurde met zijn gezicht tegen het raam van de schuurdeur naar binnen, trok de mouw van zijn jack over de knokkels van zijn rechtervuist en ramde daarmee de ruit aan diggelen. Het glas kletterde in splinters op de grond.

Ik stond bij het tuinpoortje. Bij de buren blafte een hond. Straks komt de politie, dacht ik, dan nemen ze ons mee en worden we opgesloten in het spinnenhok achter het politiebureau. Ik had er wat van kunnen zeggen, maar ik deed het niet, net zo min als de andere jongens die ademloos toekeken hoe Wander door het kapotte raam naar binnen klom. Even later kwam hij naar buiten met een tuinkabouter van aardewerk, die hij onder zijn trui meedroeg terwijl we in optocht naar het bos liepen.

We kwamen voorbij de katholieke school van Wander, waar zoals iedere woensdagmiddag een grote inzamelactie aan de gang was. Kinderen hadden overal in de wijk oud papier opgehaald en naar het schoolplein gebracht. Wander beweerde dat het geld dat ze daarmee binnenhaalden, werd besteed aan het kopen van een nieuw kazuifel voor meneer pastoor. Een man in een zwarte soutane had een weeghaak bij zich en schatte daarmee het gewicht van de keurig samengebonden bundels papier. Verstoord keek hij naar de passerende bende, die duidelijk niet van plan was mee te doen aan de inzamelactie. ´Jongens, daar heb je de kapelaan,´ zei Wander zo hard dat de kapelaan het kon horen, ´allemaal armen over elkaar.´ Hij richtte daarbij zijn blik devoot naar de hemel.

In het bos begroef Wander de buit naast het graf van zijn hond. ‘Zo, voortaan zijn we een bende,´ zei hij plechtig, ‘Geng Andjing Hitam, dat is Maleis voor de Bende van de Zwarte Hond.´

Vanaf dat moment genoten we de bescherming van de Bende van de Zwarte Hond. Zoetjesaan groeide het gerucht dat de bende van Wander tot alles in staat was. Zelfs in je eigen huis was je niet veilig als Wander en zijn bende je moest hebben, dat had hij met zijn inbraak wel bewezen. De harde kern van de bende bestond uit Indische jongens, maar Wander pakte het slim aan, ook Brabantse jongens die aan onze kant stonden, mochten meedoen en zo heersten we binnen korte tijd niet alleen over onze wijk maar ook over de rest van het dorp.

De schrik zat er goed in bij de jongens uit het oude dorp en er was er geen een die ons ook maar een haar durfde te krenken of ons zelfs op veilige afstand durfde uit te schelden, want hij kon rekenen op een strafexpeditie, dan trok de bende erop uit met knuppels en speren. Als hij er een van de dorpsjongens uitpikte voor verhoor volgde al snel de beschuldiging ‘je liegt, ik hoor het aan je stem’. Nou dan zag je de jongen ineenkrimpen en smeken om genade. Net als je dacht, nou komt er wat, liet Wander de jongen gaan. Die maakte dat hij weg kwam.

Het grote bos aan de rand van het dorp was ons terrein. We bouwden er hutten en voerden oorlog in de jungle met meegenomen speelgoedgeweren en stokken. We deelden ons op in twee groepen aan weerskanten van een droge greppel die we moesten zien over te steken. We deden daarbij wie het mooiste dood kon vallen; als we waren geraakt door een kogel doken we met een schreeuw van pijn in elkaar. Terwijl we naar de grond gingen, grepen we naar de schotwond in onze buik of in ons hart. Na tien lange tellen kwam je opnieuw tot leven en mocht je weer meedoen aan het gevecht.

Waar het bos ophield lag een zandpad, daar begonnen de velden van boer Klomp, waar hij samen met zijn knecht koren maaide en aardappels teelde. Na de oogst bouwde hij op het veld een grote hooimijt tegen de bosrand. Voor de bende was het heerlijk om erin te klimmen en te spelen in het zachte hooi, maar je moest wel oppassen voor de knecht van de boer. Als die het zag kwam hij vanuit de boerderij over het pad aanjakkeren op zijn fiets en remde bij de hooimijt af met zijn voeten in het zand. Als je niet weg was, bond hij je vast aan een boom en kreeg je er van langs met zijn broekriem.

We deden wie van de bende het hoogst in de boom durfde klimmen en zagen toen pas hoe ver het bos doorliep, zo groot, het leek wel een oerwoud. Als ontdekkingsreizigers trokken we in een lange karavaan dieper de wildernis in en kwamen achter het bestaan van een ven met kristalhelder water en gele, zanderige oevers. Van oud bouwhout en lege oliedrums bouwden we vlotten en dobberden daarmee op het water.

Ik was niet bang om alleen door het bos te dwalen. Ik kon er goed de weg vinden en kende alle verborgen plekken. Zoals de open plek met de diepe zandkuilen, waar niets wilde groeien, het was de enige plek in het bos waar het zonlicht goed kon doordringen. De jongens die ik mijn ontdekking liet zien dachten dat het bomkraters waren uit de Tweede Wereldoorlog.

En de mysterieuze plek tussen de bomen, bedekt met een zacht bed van dennennaalden en mos, waar het licht amper doordrong en je de stilte kon horen. Ik heb er weleens een jonge vrouw gezien, ze lag op het mos, haar ogen waren gesloten. Ik dacht dat ze dood was, maar toen ik dichter bij kwam hief ze haar hoofd even op en keek me aan. Een flauwe glimlach kwam op haar lippen. Net als ik genoot ze van de kalmte en de geur van het bos.

Op een dag was alles voorbij. Mannen met gaas en prikkeldraad maakten een hek rond het bos en ons ven. Ze bouwden zomerhuisjes tussen de bomen. Het bos ging op slot. Bij de ingang kwamen hokjes waar je een kaartje moest kopen voordat je naar binnen mocht – te duur voor ons.

Nu het bos niet meer van ons was, was het snel gedaan met de Bende van de Zwarte Hond. De meeste jongens verloren hun belangstelling en gingen ergens anders spelen.

Wander niet. Hij kon niet verkroppen dat hij het bos niet in mocht en maakte een gat in de omheining waar hij naar binnen kon kruipen. Regelmatig zwierf hij daar rond, tot hij op een keer werd opgewacht door een stel agenten. In het politiebusje moest hij mee naar het bureau. Voor straf stuurden ze hem naar de kinderpsycholoog.

Harry Smith

 

 

Het juryrapport door:
Armando Ello, Yvette Kopijn en Simone Berger

De winnaar is  ‘Eens waren mijn kleinkinderen …. Kleine kinderen’ van mevr. J.C. Tomasila – Snell

Het oordeel van de jury:

Een liefdevol en beeldend geschreven verhaal waarin een grootmoeder herinneringen ophaalt aan de tijd dat haar kleinkinderen nog klein waren. De schrijfster van het verhaal is in staat om herinneringen tastbaar te maken door beelden op te roepen, die bij velen zullen herkennen die in de beschreven periode kind, respectievelijk grootouder waren. De herinneringen die tot leven komen, zijn ontegenzeglijk Moluks/Indisch en brengen een wereld in beeld, die langzaam maar zeker aan het verdwijnen is. Voor de jury kostbaar erfgoed om te koesteren en te bewaren. Wat het verhaal nog meer vernieuwend maakt, is dat de herinneringen zich niet zozeer afspelen in het Indië/Indonesië van vroeger, maar in Nederland van vroeger. Het onderstreept daarmee onze langdurige aanwezigheid in Nederland en de sporen die wij hier hebben achtergelaten.  Ontroerend is het tenslotte om te lezen dat de grootmoeder bewust bezig is met cultuuroverdracht aan de kleinkinderen wanneer ze nog klein zijn, maar hen vervolgens ook de ruimte geeft om hun eigen weg te vinden nu ze volwassen zijn.

 

Een eervolle vermelding gaat naar ‘De bende van Wander’ van Harry Smith

Het oordeel van de jury:

‘De bende van Wander’ leest als een spannend jongensboek, maar handelt tegelijkertijd over een onderwerp waarover nog steeds moeizaam gesproken wordt: de periode die we recentelijk zijn gaan aanduiden als onafhankelijkheids- of dekolonisatieoorlog, en de omstreden rol die kapitein Westerling daarin speelde, samen met de ‘Speciale Troepen’ die onder zijn leiding vielen. Een relatief verzwegen geschiedenis die, ook in dit verhaal, nu eindelijk beschreven wordt.